Startpagina
Woordenlijst
Spelling
Taaltechnieken
Kijk en luister
Gnker Liere Lze
Veldeke online
Out: V kalle Gnker
Historiek
Gnker Kepellekes
Wei ver het zoeal 'ns zgge
Links & bronnen
Veelgestelde vragen
Contact Sitemap Dankwoord

De Voornaamwoorden - Veernoamweerd
    
Mt al dei verbeegingen s r toch n oarig versjil tssen het Gnker dialekt en het Neederlands.

 

Persoonlijk Voornaamwoord

 

1 persoon enkelvoud

Ik = ich, mij = mich

Ich als onderwerp in de zin. Ich drenk woater.

Mich als meewerkend voorwerp: G gft mich nen appel

Lijdend voorwerp: H trekt mich voert.

 

1 persoon meervoud

wij = v (met klemtoon), ve (ver) zonder klemtoon.

V zijn de staerkste. Ve ltte mer gewre.

Ver: Als v na de persoonsvorm (ww) komt, gebruiken we: ver

Doo konne ver nie oan out.

In de vraagzin: Konne ver mtgoen?

Dit bestaat ook: ever: goen ever.= goene ver = goen ver

V wiert oos als meewerkend voorwerp. Gf oos ins wat woater.

Lijdend voorwerp: Voader bringt oos noo sjool.

     

2 persoon enkelvoud

Jij, je: dich - de: aangesproken persoon; familiaire vorm

Dich als onderwerp: Dich gees slppe. Nadrukkelijk: jij - dich

De kms te loat. (je komt te laat)

Als meewerkend voorwerp. Ich gf tich rd.

Lijdend voorwerp: Ich roep tich

 

Stich en ste. In vraagzinnen: Leep ste mt? Leepste (enclise)

Wei stich dat dees! Boe stees tich?

Boevier wrks tich nog?

 

Onbeklemtoonde je = de

De zks zoe maer iet.

de wordt doe, doese (direct aangesproken en uitgescholden)

Doe, lillek serpent! (vrouwelijk) 

Doesen deegniet. (mannelijk)

 

2 persoon meervoud

Jullie, U ( beleefdheidsvorm)= g, ch, der.

als onderwerp: G helpt mich.

Meewerkend voorwerp: H giehft ch woater.

Lijdend voorwerp:  Ich help ch.

G en ch na de persoonsvorm (ww) wordt -der- 

Gaan jullie? Gaat U = gtder, hbt U = hbder. Er hbt gee nouts

Loopder mt? Weider gezagd hbt. (zoals U jullie )

Asder dat drt  Als U  

Ich denk datder ch verdoold hbt. ( dat U zich)

 

3 Persoon enkelvoud
Als onderwerp: h, zij, het. H geet, zij kmt, het riept

Mannelijk: h, er, ter: H als onderwerp achter de persoonsvorm (ww)= 'r  

Ich denk (dat er) datter kmt.

Ich wiet nie och 'r kmt och ter kmt.

In de vraagzin (onderwerp na de persoonsvorm)

Loopt hij? Leept er = leepter, As er = As ter = Asser

Him als meewerkend voorwerp: Ich gf him een snee.

Lijdend voorwerp: Ich pak him vas.

 

Vrouwelijk: zij (klemtoon) anders: -ze

als onderwerp: Zij haa groet gelijk.

Ze hit gee gelijk.

-het- met de korte e- van met, bed, vet.

Het wilt ooch mtloope. (smalend)

 

Haar = hier als meewerkend voorwerp: Ich brng hier n zjat mlk.

Lijdend voorwerp: Ich stoet hier oane kant.

 

Onzijdig: het of t (doffe e) als

Onderwerp: Het kan goed zijn. t s woer

Lijdend voorwerp: H goeit het (t) vrt.

Meewerkend voorwerp: Ich lang t ze spielgoed.

 

3 Persoon meervoud

Zij (met klemtoon) anders ze - als

Onderwerp: Zij koeme te loat, v nie.

Ze wisten t ooch nie.

Hin- als meewerkend voorwerp: Ich gf hin e gloas woater.

Lijdend voorwerp: Ich breng hin noo tinnes.

 

Niet personen: Ze: als onderwerp. De brikke, doo ligge ze toch.

Lijdend voorwerp: Och ja, nou zien ich ze. (de brikke)