Startpagina
Woordenlijst
Spelling
Taaltechnieken
Kijk en luister
Gnker Liere Lze
Veldeke online
Out: V kalle Gnker
Historiek
Gnker Kepellekes
Wei ver het zoeal 'ns zgge
Links & bronnen
Veelgestelde vragen
Contact Sitemap Dankwoord

Het Bezittelijk Voornaamwoord
                     

1.   1 persoon enkelvoud: ik

 

Bezittelijk voornaamwoord = mijn

(in het Nederlands voor mannelijk, vrouwelijk en onzijdig)

 

n t Genker dialect efkes aaners!   

  • Mijne + mannelijk enkelvoud.
    Vb: mijne man, mijne villoo, mijne knei, mijne poer (prei)
    Maer: mijnen hond, mijnen toun, mijnen tand, mijnen appel, mijnen iemer (mijnen voor t, d, h, en de klinkers)
  • Mijn + vrouwelijk enkelvoud.
    Vb: mijn vroo, mijn dochter, mijn hous, mijn klak, mijn brk
  • Mij + onzijdig enkelvoud.
    Vb. mij knd, mij viegelke, mij kestim, mij ketsje, mij fleetsje

    Maer: mijn hous, mijn drp, mijn tant (tante), mijn ee (ei)
    (mijn voor: d,t,h en de klinkers)
  • Mijn + alle meervouden.
    Vb: mijn hon (mannelijk), mijn katte (vrouwelijk), mijn knner (onzijdig), mijn kleer

Zelfstandig gebruikt:
         

mannelijk: de mijne

vrouwelijk: de mijn

onzijdig: het mijn

meervoud: de mijne
                   

Outgesproeken en gesjrieve:
mijn = men = mn 
mijnen = mnen (We horen noch ij- noch doffe e)

Vb: mnen hoed, mne borstel, mn sjool, mn hous, mn drp, me belke, me lempke

 

2.   1 Persoon meervoud

 

Nederlands: onze ons

Genker dialect: Ooze oos  

  • Ooze + mannelijk enkelvoud.
    Vb: ooze boas, ooze zoen, ooze villoo, ooze bal
  • Oos + vrouwelijk enkelvoud.
    Vb: oos dochter, oos, kat, oos kou (koe), oos beemke
  • Oos + onzijdig enkelvoud.
    Vb: oos knd, oos freet, oos ketsje, oos bload, oos lempke
  • Oos + al wat meervoud is.
    Vb: oos hon, oos katte, oos knner, oos heis, oos plenk

Zelfstandig gebruikt:
                  
 

mannelijk enkelvoud: den ooze
vrouwelijk enkelvoud: de oos
onzijdig: de oos
meervoud: de oos

 

3.   2 Persoon enkelvoud

 

Nederlands bezittelijk voornaamwoord: jouw, jouwe = van jou

Genker dialect: van dich  

  • Dijne, dijnen + mannelijk enkelvoud:
    Vb: dijne villoo, dijnen hoed, dijnen appel, dijne kedoo, dijnen tand, dijne stek (stok)
  • Dijn + vrouwelijk enkelvoud:
    Vb: dijn dochter, dijn kat, dijn zg, dijn vroo, dijn kat, dijn kaar
  • Dij + onzijdig enkelvoud:
    Vb: dij knd, dij kaerke, dij beemke, dei getijg

    Maer: dijn hous, dijn ee, dijn dikske, dijn eppelke
  • Dijn + al wat meervoud is:
    Vb: dijn hon, dijn katte, dijn wichter, dijn beem, dijn tffels

Ooch hei wier dijn = den = dn, dnen

Vb: dn hon, dn katte, dne rk (hark) dnen hond, dn doehs, dn belkes, dn sjoehn, dnen appel.

Zelfstandig gebruikt:
                          

mannelijk enkelvoud: den dijne
vrouwelijk enkelvoud: de dijn
onzijdig enkelvoud: het dijn
meervoud: de dijn

 

mannelijk: dn hond, das den dijne
vrouwelijk: dei kat, das de dijn
onzijdig: dat gloas, das het dijn

 

4.   2 Persoon Meervoud


Nederlands: uw, uwe (van u, jullie)
ch = beleefdheidsvorm. Oer, oere (oeren)


  • Oer, oere +mannelijk enkelvoud:
    Vb: oere mond, oeren hond, oere stal, oere villoo, oeren tand
                
  • Oer + vrouwelijk enkelvoud:
    Vb: oer vroo, oer dochter, oer tffel, oer sjp (spade)
                 
  • Oer + onzijdig enkelvoud:
    Vb: oer hous, oer knd, oer ee, oer himme, oer kleed
                           
  • Oer + al wat meervoud is:
    Vb: Oer hon, oer katte, oer heis, oer appele, oer haan (handen)

Zelfstandig gebruikt:
                           

mannelijk: t s den oere
vrouwelijk: t s de oer
onzijdig: t s het oer

meervoud: Het zijn de oer

 

5.    3 Persoon enkelvoud

 

Nederlands: zijn (mannelijk), haar (vrouwelijk), zijn (onzijdig)

In t Genker dialect met dezelfde verbuigingen als met mijn en dijn mannelijk

  • Zijne + mannelijk enkelvoud:
    Vb: zijne kammeroad, zijne villoo, zijne stal, zijne grond

    Maer: zijnen appel, zijnen hond, zijnen hoed, zijnen tand
  • Zijn + vrouwelijk enkelvoud:
    Vb: zijn vroo, zijn dochter, zijn kat, zijn poert, zijn hand
  • Zij + onzijdig enkelvoud:
    Vb: zij knd, zij klekske, zij penneke, zij vaerkske, zij belke

    Maer: zijn ee, zijn hoot, zijn hous, zijn ijzer
  • Zijn + al wat meervoud is.
    Vb: Zijn taan, zijn heis, zijn knner, zijn villoos, zijn katte

Zelfstandig gebruikt:
                              
 

mannelijk: de zijne
vrouwelijk: de zijn
onzijdig: het zijn

 

Vrouwelijk enkelvoud: Nederlands: haar, hare  

Genker dialect: hier, hiere (hieren)  

  • Hiere + mannelijk enkelvoud:
    Vb: hiere man, hiere boas, hiere villoo, hiere mantel
    Maer: hieren hond, hieren tand, hieren appel, hieren hoed
  • Hier + vrouwelijk enkelvoud:
    Vb: hier dochter, hier sekosj, hier kat, hier sjier (schaar)
  • Hier + onzijdig enkelvoud:
    Vb: hier knd, hier hous, hier kleed, hier sjalleke
  • Hier + al wat meervoud is:
    hier katte, hier hon, hier appele, hier shoehn, hier kleer (slt)

Zelfstandig gebruikt:
                           
 
mannelijk: t s den hiere 

vrouwelijk: t s de hier

onzijdig: t s het hier

meervoud: t Zijn de hier

 

6.   3 Persoon meervoud

 

Nederlands: hen
Genker dialect: hin, hinne (hinnen)
 

  • Hinne + mannelijk enkelvoud:
    Vb: hinne stal, hinne man, hinne villoo, hinne pool (paal)

    Maer: hinnen hond, hinnen appel, hinnen drd, (draad), hinnen toun
  • Hin + vrouwelijk enkelvoud:
    Vb: hin vroo, hin kat, hin sjier, hin tffel, hin poert
  • Hin + onzijdig enkelvoud:
    Vb: hin knd, hin hous, hin belke, hin brikske, hin jeske
  • Hin + al wat meervoud is.
    Vb: Hin knner, hin hon, hin katte, hin heis, hin klidsjes

Zelfstandig gebruikt:
                       
 
mannelijk: t s den hinne
vrouwelijk: t s de hin

onzijdig: t s het hin

meervoud: t Zijn de hin