Im kènnis te moake mèt oos Gènker Wèrkweerd, zille vee nie alle technieken oanhoale. Wat volgt ès genóg im te wieëte wei ve ze doageleks gebreike.
Het werkwoord duidt ons aan wie wat wanneer doet. Het woord dat het gebeuren in een zin benoemt.
We kennen zowel in het Nederlands als in het Gènker Dialect vijf soorten werkwoorden.
Overgankelijke of overdrachtelijke werkwoorden. (De persoonsvorm vormt met het onderwerp de zinskern.) In die zin kan een lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp voorkomen.
Wederkerige werkwoorden: onderwerp en lijdend voorwerp zijn dezelfde: zich + infinitief
Hulpwerkwoorden: meestal gebruikt in de voltooide tijden. Vb: hebben, worden, kunnen, enz.)
Onpersoonlijke werkwoorden: Enkel gebruikt met “het”: het rèègent, het vriehst, het sneit
Koppelwerkwoorden: koppelt een gezegde (dat geen werkwoord is) aan een onderwerp.
Werkwoorden kunnen van vorm veranderen volgens:
Persoon: de persoonsvorm: enk, mv. (ik, zij, wij)
Tijd: onvoltooide tijden, voltooide tijden (met hulpwerkwoord en voltooid deelwoord)
Wijze: Aantonende
Gebiedende: enkel in de 2° pers. enkelvoud of meervoud.
Voorwaardelijke: met hulpwerkwoord: zouden
Aanvoegende: in een wens of aansporing (stam + e) vb. Hij ruste in vrede.
Persoonsvormen:
Ich, dich, hèè, zij, het, er, iemes, niemes, iet , vèè, gèè, zij